vrijdag 18 oktober 2013

Kamperen


Wijzelf doen het al heel ons leven, kamperen. Van een klein koepeltentje via bungalowtent, vouwwagen, vouwcaravan en caravan hebben we alle vormen van het buitenleven doorlopen. Nu hebben we een stacaravan in de Ardennen, met complete keuken en badkamer en een comfort dat op thuis lijkt. Toch staan we nog altijd op een caravanpark annex kampeerterrein. We houden van de sfeer van de camping, het makkelijke, het ongedwongene van het buiten leven. Op het terras eten, barbecueën en samenzitten met vrienden. Je moet gewoon een kampeertype zijn. Een paar weken geleden zat ik op het terras van mijn Haagse vrienden Bolle Jan en Mariska toen zich bezoek aankondigde. Een bevriend echtpaar had gezegd dat ze ook eens kennis wilden maken met het kampeerleven en ze hadden op hetzelfde terrein een caravan gehuurd. En daar stond de vriendin voor onze neus. Een sjieke dame, keurig gekapt met onberispelijke make-up, in een nauwsluitend jurkje met pushup-bh en elegante schoenen op stilettohakken: Mathilde. Ik dacht maar een ding: dit is géén kampeertype, zelfs haar naam past niet bij een camping, Ze bekeek de caravan van mijn vrienden en kirde ‘’Wat leuk, wat aardig’’. Haar ogen spraken een andere taal, ze voelde zich een vreemde eend in de bijt. Een dag later trof ik haar bij het sportveldje. Haar kinderen speelden op de toestellen, zij zat op een bankje en las een boek. Ik vroeg haar of het verblijf in de huurcaravan haar beviel. ‘’Oh ja, prima’’ zei ze maar het klonk niet van harte. Weer twee dagen later zag ik haar met man en kinderen van de camping wegrijden, ze zwaaide enthousiast. Navraag bij en Jan en Mariska leerde dat Mathilde terugging naar Den Haag. Ze had verteld dat haar zoontje een kwallenbeet had (in het Ardense water komen geen kwallen voor) en ze liever naar de eigen huisarts gingen. ‘’Het beviel haar natuurlijk ook niet, zo’n caravan’’, constateerde Mariska nuchter. Ik weet zeker dat ze in de auto tegen haar man heeft gezegd. ‘’Dit nooit meer, ik wil alleen nog maar een hotel!’’.



EFHA

zaterdag 12 oktober 2013

Porto


We waren een weekje in Porto (Portugal), de stad van de gelijknamige wijn, die op de oevers van de Douro, in kelders met enorme vaten, ligt te rijpen. We bekeken de vele historische gebouwen en kerken in  gotische en barokstijl vanuit een antieke tram en dronken koffie in het Belle Epoque café Majestic in de winkelstraat Rua Santa Catharina. Een supermoderne metro bracht ons naar het strand aan de Atlantische kust waar we de verse sardines van de barbecue aten. Ook hadden we veel plezier we de wijk Ribeira, langs de rivier, die met zijn vele café-restaurants, terrassen en marktjes, de ideale uitgangsplek was.

Een van de laatste trips die we wilden maken was het Palacio de Cristal, een modern gebouw in een prachtig aangelegd park. Het hotel had ons aangeraden bus nummer 200 te nemen die stopte bij de ‘’Mercado’’. In de straat bij de markt bleken veel bussen te stoppen maar géén 200. We waren al gewend aan de behulpzaamheid van de inwoners van Porto en vroegen dus of iemand wist waar bus 200 stopte. Een jongeman wilde ons wel helpen. Hij sprak geen woord Engels maar met veel gebaren en het woord ‘’information’’ wees hij in de richting van een andere straat. Hij maakte de indruk zwakbegaafd te zijn, maar uiteindelijk leverde hij ons af bij een halte aan de andere kant van de markt waarop bus 200 prijkte. We waren hem dankbaar en zeiden netjes ‘’Obrigado” (dankjewel). Mijn vrouw gaf hem een hand terwijl ze hem tegelijkertijd wat geld toestopte. Hij protesteerde maar pakte het uiteindelijk aan. We zagen hem de straat weer omhooglopen en pas op de hoek keek hij in zijn hand wat hij had gekregen. Voor hem was het klaarblijkelijk veel want hij maakte een luchtsprongetje van blijdschap. Wij vonden het een aandoenlijk gezicht waarvan ons humeur omhoog veerde.
Obrigado Porto!